Artikel 10a Vpb rente aftrekbeperking krijgt vervolg bij Hoge Raad

Artikel 10a Vennootschapsbelasting rente aftrekbeperking krijgt door casus een vervolg bij de Hoge Raad.

Op 22 februari 2018 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vragen van de Hoge Raad over rente aftrekbeperking beantwoord. De casus betrof de uitsluiting van rente aftrek op grond van  art. 10a Vpb. Meer in het bijzonder ging de casus over het niet toestaan van de aftrek van rente bij een besloten vennootschap die deze rente betaalde aan de buitenlandse moeder vennootschap. De hoofdsom, waarover die rente betaald werd, was geleend van de buitenlandse moeder om met dit bedrag het kapitaal vol te storten bij de buitenlandse dochter van de Nederlandse BV.

De buitenlandse moeder stelde dat het weigeren van rente aftrek in Nederland bij de BV voor haar een discriminatie is omdat deze rente aftrek niet zichtbaar is indien de buitenlandse moeder met de Nederlandse BV een fiscale eenheid zou kunnen vormen. Immers door de consolidatie binnen fiscale eenheid is de rente niet zichtbaar en is er geen beperking in de aftrek. Het Hof van Justitie oordeelde dat er sprake is van een ontoelaatbare discriminatie.

Ook omdat Financiën in oktober 2018 deze voor haar onwelgevallige uitspraak (groot nadeel voor de schatkist) zag aankomen is toen de noodmaatregel inzake art. 10a Vpb uitgevaardigd. Beter bekend onder de naam ‘Spoedreparatie Fiscale Eenheid’. Deze hield in dat vanaf 25 oktober 2017 geen renteaftrek toegestaan wordt in situaties van fiscale eenheid die voldoen aan de aftrekbeperkingen genoemd in artikel 10a Vpb. Deze maatregel was zo rigide uitgevaardigd dat Financiën in 20 april 2018 op deze aftrekbeperking van de rente weer een coulance heeft afgekondigd. De matiging op het eerder uitgevaardigde standpunt betekent dat alleen bij rentebetalingen van meer dan € 100.000 (per jaar), aan verbonden lichamen of personen, de aftrekbeperking kan gelden.

Op de uitspraak van het Hof van Justitie heeft nu de AG bij de Hoge Raad, in de persoon van prof. mr. P. Wattel, de Hoge Raad geadviseerd (8 juni 2018) om deze casus terug te wijzen naar de feitenrechter (een Gerechtshof belastingzaken) die moet onderzoeken of de feitelijke concernfinancier (de verbondene) voldoende wordt belast over de rente ontvangst dan wel of de tegenbewijsregeling voldoende zakelijke motieven aandraagt om de aftrek niet te beperken. Los hiervan loopt in ieder geval wel per 6 juni 2018 de procedure van het ingediende wetsvoorstel om de wet aan te passen.